Onmacht

Kerst was altijd mijn favoriete feestdag, het beste gedeelte van het jaar. Mijn vader maakte allemaal lekkere hapjes, terwijl mijn moeder en ik het huis versierden. Nou ja, tot op zekere hoogte dan. Ik mocht alle slingers in de boom en voor het raam hangen en mijn moeder deed de rest, bang dat ik iets liet vallen. Eén ding mocht ik wel in de boom hangen: Mijn lievelingsversierseltje; de kerstengel. Een klein, uit hout gesneden engeltje met een hartje in haar handen. Niemand mocht het in de boom hangen behalve ik. Het was van mij! Mijn opa had het voor mij gemaakt, speciaal voor mijn geboorte. Het moment dat ik werd geboren, legde mijn opa er de laatste hand aan. Het engeltje en ik waren tegelijk klaar voor de wereld.

Jammer genoeg leeft mijn opa niet meer. Hij is twee jaar geleden met kerst overleden. Mama heeft toen een draadje aan het engeltje vastgemaakt, zodat ik het in de boom kon hangen. Zo was opa er toch nog een beetje bij tijdens de kerstdagen.

Als het geen kerstmis was, stond het engeltje op het nachtkastje naast mijn bed in mijn slaapkamer. Ik voelde me veiliger als het engeltje bij me was. Alsof het me beschermde tegen al het kwaad in deze grote onbekende wereld.
Soms, als ik me eenzaam voelde, deed ik alsof ze echt bestond. Dat het beeldje mijn beste vriendin was. Urenlang kon ik tegen haar praten en in mijn hoofd verzon ik dan een antwoord, zodat het net leek alsof we echt een gesprek voerden. Die gesprekken deden me goed, want op die momenten voelde ik me niet meer zo eenzaam. Ik wenste wel eens voor het slapen gaan dat ik op een dag een echte vriendin zou krijgen, een vriendin waarmee ik uren kon praten en dat ik niet zelf een respons hoefde te bedenken.

Mijn moeder was het er niet mee eens. Ze wilde dat ik vrienden ging maken, dat ik het engeltje gewoon in de doos zou stoppen bij de andere kerstspullen. Ze snapte niet dat ik niet gewild was op school, dat niemand met me wilde spelen of zelfs al bij me in de buurt wilde zijn. Ik was het echte buitenbeentje van de klas.
‘Het engeltje helpt jou echt niet aan een vriendin,’ zei ze steeds opnieuw.
‘Jawel,’ zei ik zacht, maar zij lachte me keihard uit. Dat heb ik haar nooit vergeven.

Na het zoveelste conflict hierover, kon ik er niet meer tegen. Ik ben van huis weggelopen. Mijn belangrijkste en meest waardevolle spullen stopte ik in een tas samen met wat te eten. Ik had geen idee waar ik naartoe moest of waar ik überhaupt heen kon. Ik was maar zeker van één ding; mijn beschermengeltje zou me wel leiden, dus alles zou goed komen.
Met het kleine beetje geld dat ik uit mijn spaarpot had gehaald ging ik op pad, de engel in mijn handen. Ik wilde naar een verlaten plek, ergens waar ik echt alleen kon zijn, waar niemand me zou zoeken. Ik wilde echt niet terug naar huis.

Na ongeveer twee dagen gelopen te hebben kwam ik bij een bergachtig bosgebied. Hoe hoog het precies was, kon ik niet zien door de bomen die dicht op elkaar stonden. Ik keek naar het engeltje in mijn hand en kreeg een goed gevoel. Ik stopte het beeldje in mijn zak zodat ik kon gaan klimmen. Nog steeds voerde ik gesprekken met mijn houten vriendinnetje in mijn jaszak.

Toen ik eenmaal ergens halverwege de helling was, had ik geen energie meer. Mijn knieën waren geschaafd en mijn handen deden pijn, maar mijn engeltje gaf me nog steeds goede hoop. De tas op mijn rug voelde zwaar aan, terwijl er bijna niets inzat. Ik zette hem op de grond en keek om me heen. Ik was terecht gekomen op een open plek met maar een paar bomen. Ik voelde wat kouds op mijn wang. Het begon te sneeuwen, kerst was weer een paar dagen dichterbij gekomen.

Ik keek om mij heen en zag een kleine opening, een ondiepe grot in de bergwand. Daarnaast stond iets wat op een kerstboom moest lijken. Het engeltje in mijn zak begon te gloeien. Ik haalde het tevoorschijn en hing het aan het draadje in de boom, waarna ik mezelf tegen de wand van de grond nestelde.

Het was koud en het begon steeds harder te sneeuwen. De grond op de open plek die niet werd beschut door de paar bomen die er stonden, werd langzaam steeds witter.

Na een tijdje ging de kou van het lichaam eten. Mijn botten deden pijn en mijn spieren werden stijf. Ik kon niets meer doen terwijl mijn lichaam stukje bij beetje aan het sterven was. Op dit moment zag de dood er vanuit mijn ogen erg aanlokkend uit.

Met het kleine beetje kracht dat ik nog in me had, ging ik opzoek naar wat droog hout en misschien zelfs iets te eten. Op TV had ik gezien hoe je nog redelijk simpel vuur kon maken, nu maar hopen dat het in de praktijk ook zo makkelijk zou gaan.

Het dikke pak sneeuw maakte het lastig om mezelf te verplaatsen, maar zodra ik aankwam bij een plek in het bos waar nog een aantal bomen waren zonder sneeuw erop, afgeschermd door de grote rotsen op de berg, merkte ik dat er iets miste. Bijna sneller dan het licht schoot mijn hand naar mijn blijkbaar lege jaszak. Ik tastte elke zak af opzoek naar het engeltje, maar ik vond het niet. Het hing nog in de boom bij de grot. Zonder er ook maar even over na te denken, rende ik als een malle, zo snel mogelijk , terug naar de grot. Zonder mijn beschermengeltje kon ik dit hele avontuur niet aan.

Mijn hart brak in duizenden stukken toen ik aankwam bij de open plek. De kerstboom naast de grot was vertrapt en stond in de brand. Ik stapte dichterbij en ik zag mijn wereld instorten. Het houten beeldje lag kapot naast de boom. De vlammen likten eraan als hongerige dieren. Mijn bescherming was weg.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s